In het eetcafé, aan het tafeltje bij het raam, zit een meisje. Een redelijk mooi meisje met redelijk mooi haar en een redelijk grote neus. Ze zal een jaar of zeventien zijn, al doet ze zich ouder voor met haar sophisticated zilv’ren sieraden. Op haar gezicht heeft zich een verveelde uitdrukking vastgezogen. Om de paar seconden kijkt ze op haar horloge of op de klok aan de muur. Ze trommelt met haar vingers op de menukaart. Pulkt wat aan haar oog, haar redelijk grote neus en het glas dat voor haar staat, aan haar redelijk mooie mond. De rand van het glas wordt vettig van de lipgloss.
Ze zal Kate heten, of Myrthe. Esmee misschien, hoewel ze niet exotisch genoeg is voor een Esmee. Wanneer een serveerster aan haar tafel komt vragen of ze misschien nu wel wat te eten wil bestellen, zegt Kate-Myrthe dat hij er zo aankomt - er eigenlijk al lang had moeten zijn - en dat ze nog maar een cola neemt.
Light, alstublieft.
Wanneer ze het zoveelste viltje heeft verpulverd en voor de zoveelste keer aan haar redelijk grote neus heeft gepulkt, haalt ze uit de kontzak van haar spijkerbroek haar mobieltje.Met haar tanden schraapt ze de lipgloss van haar lippen, ze schraapt haar keel en tikt dan zonder verder na te denken een nummer in. Het is nu of nooit, zegt haar gezicht, en kiest voor het nu.
Het duurt even voordat er aan de ander kant iemand oppakt. Kate-Myrthe zucht van opluchting.
“Hé lieverd. Je zou toch hier komen?” vraagt ze. Smeekt ze bijna. “Waar blijf je? Waar ben je nu? Je komt toch nog wel?”
Ze klinkt niet kwaad, al heeft ze haar hand tot een vuist gebald en tegen haar vrije oor gedrukt. Ze klinkt helemaal niet kwaad. Ze klinkt lief, haast begrijpend.
“Oh” zegt ze dan. “Ja. Oh… Maar bel dan even de volgende keer…”
Ze lacht een keer, maar ze lacht alsof ze naast kiespijn, ook hoofd- maag- en spierpijn in haar kaken heeft.
“Ja, dat is waar. Ik bel nu, maar toch…”
Ze zegt ‘geeft niet’ en ‘echt niet’ en ‘dan spreken we een andere keer toch af’ en ‘bel je me nog?’ en hangt dan op. Onder haar glas cola-light schuift ze tien euro en vertrekt uit het café.
Hoewel ze het goed weet te verbergen, is Kate-Myrthe half-doof.
Ze is als Vincent van Gogh: ergens in haar leven heeft ze haar ene oor afgesneden, zodat ze nog maar de helft kan opvangen van wat Liefde, of daar een surrogaat van, haar te vertellen heeft.
Kate-Myrthe hoort het allemaal, maar knijpt een oortje toe.
Liefde is tenslotte niet blind; is nooit blind geweest.
Liefde is als God: ze ziet alles wel, maar is heel vergevingsgezind.
En Kate-Myrthe gelooft.
Tussen de jongen en Kate-Myrthe heeft het niet lang geduurd. En Kate-Mythe vond het eigenlijk wel best, want de jongen zei dat het niet aan haar lag, dat hij echt om haar gaf, dat ze vrienden, echt goede vrienden bleven. En Kate-Myrthe geloofde en gelooft nog steeds.
Dat weet ik, want Kate-Myrthe, dat ben ik.
Eerder gepubliceerd op de Jonge Journalist (2004)
Wanneer mij gevraagd wordt wat mijn favoriete muziek is (en ik weet niet in welke kringen u verkeert, maar mij wordt dat toch zeker één keer per decennium gevraagd), dan mompel ik vaak maar een ‘mwoahweenietvanalleswat’. Wat niet waar is. Ik houd niet van alles wat. Elke keer als ik ‘Is this the way to Amarillo’ (Every night I’ve been hugging my pillow) van Tony Christie op de radio voorbij hoor komen krijg ik zin om mijn oren vol te gieten met heet kaarsvet. Do you really want to hurt me van Culture Club: waterdichte pleisters over mijn oren vol vet. What do you want from me van Adam Lambert: hetzelfde als net en een zalfje voor mijn spontaan opkomende allergie. Ik bedoel maar.
Nu ben ik de eerste die toegeeft dat mijn muzieksmaak ergens tussen ‘kleuterpop’ en ‘wanstaltig’ het midden houdt. Ik stel geen hoge eisen aan muziek – mijn exemplaar van The Singles Collection van Britney Spears- illustreert dat – maar het moet niet gaan zeuren. Ik heb met muziek hetzelfde als met Matthijs van Nieuwkerk: ik mag er graag naar luisteren, maar als het stomme vragen stelt, haak ik af.
Ik erger me dan ook al ruim tien jaar aan België van Het Goede Doel. Elke keer als ik dat nummer voorbij hoor komen, denk ik: “Die jongens zullen toch onderhand wel weten dat er geen leven op Pluto is?” Ik weet niet wat Henk en Henk vandaag de dag nog doen, maar veel moeite moet het toch niet kosten om dat nummer opnieuw in te zingen. ‘Lieve mensen… We hebben het gewikipediaad en euh… (melodie refrein) Er is geen leven op Pluto. Je kunt niet dansen op de maan. En er is ook geen plaats tussen de sterren waar we heen kunnen gaan.’ Oh, en als ze dan toch in de opnamestudio zijn: de nooduitgang bevindt zich al die tijd nog steeds bij de deur waar het bordje ‘nooduitgang’ boven hangt. Hoeven ze ons de komende jaren ook niet meer te vragen wa-wá-wáár die zit.
De Pers (Vrijdag 22 oktober 2010)
Tien weken lang schrijf ik columns voor Girlscene.nl als introductie op Love & Leed. Een column gemist? Lees ze hier terug:
Het is vrijdagavond. Of nacht. Of misschien loopt het al tegen de zaterdagochtend aan als ik met een vriend van me in de kroeg zit. We analyseren zijn verbroken relatie. Dat wil zeggen: hij verwijt zichzelf dat hij niet eerder heeft ingezien wat voor een rotwijf ze is en ik zeg ‘uhu’ en ‘je hebt gelijk’ en bestel bier.
“Ik bedoel maar, Daan. Jij vond haar toch ook leuk? Hebben we dan allebei geen mensenkennis, of wat?” Ik haal mijn schouders op. Ik weet het ook niet, zeggen die.
Maar ik weet het wel. Ik weet dat hij nog half niet weet wat een rotwijf het is. Maar dat zeg ik niet. Heb ik nooit gezegd, en omdat ik toen mijn mond niet heb opengetrokken, vind ik dat ik nu ook niet het recht heb om in zijn gezicht de ‘I told you so’-song te zingen.
Ik zeg: “Je moet het jezelf niet zo verwijten.”
“Dat doe ik wel, Daan! Dat doe ik wel. Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik niet eerder heb ingezien hoe ze echt is.”
Ik buig me naar voren en aai over zijn hoofd. “Je moet niet zo hard voor jezelf zijn, jij.” zeg ik en lach er lief bij.
Mijn Vriend schudt zijn hoofd en kijkt me aan alsof opeens ik in zijn ex ben veranderd. Hij begint nog net niet te schuimbekken als hij fluistert: “Alsjeblieft, Daan. Je gaat dit toch niet gebruiken voor je boek, hè?”
Sinds het bekend is dat ik een boek schrijf is mijn wereld opgedeeld in twee kampen. Het kamp dat angstvallig zijn mond houd omdat het bang is zijn woorden gequoted terug te zien en het kamp dat om de haverklap met briljante ideeën komt aanzetten waar ik echt over moet schrijven.
Ik doe met beide niets.
Het meest bevrijdende van schrijven is dat je van een afstand de wereld waarneemt, hem vervolgens uit je hoofd schudt om hem mooier of spannender of schrijnender of beter of tragischer te schrijven. En als de wereld die je zelf kan maken zoveel malen mooier of spannender of schrijnender of beter of tragischer kan zijn, waarom zou ik me dan in vredesnaam aan de waarheid houden? De waarheid is een akelig iets.
De waarheid is een heel akeligs iets.
Ik weet iets over de ex van mijn Vriend. Ik weet iets wat ik niet kan zeggen. Ik weet dat dat rotwijf hem zo vaak bedonderd heeft, dat hij twee handen nodig heeft om te tellen hoe vaak. Maar ik vraag me af wat mijn Vriend daar nu nog aan heeft. Of het niet beter is te leven in een leugen, als er met de waarheid niet te leven valt.
Ik lach nog maar eens lief naar mijn Vriend.
Soms is het beter net te doen alsof je neus bloedt, om iemand anders zijn hart niet te zien bloeden.
“Jij weet iets” zegt mijn Vriend dan.
“Hoe bedoel je?”
“Je weet wat, Daan. Iets wat je mij niet wilt vertellen.”
“Ik zou niet weten waar je het over hebt” zeg ik, maar in plaats van hem aan te kijken, kijk ik weg. Fout. Grote fout. Regel een in het leugenaarhandboek: houdt altijd oogcontact.
En dan – pats – gooit hij een glas bier leeg in mijn gezicht. Alsof het niets is. Hij knippert niet eens met zijn ogen.
“En vertel me nu maar eens wat je me al die tijd hebt willen vertellen.” En dat doe ik dan ook.
Op papier kun je vertellen wat je wilt.
Ik heb niet in de kroeg een verbroken relatie geanalyseerd met een Vriend. Ik heb niet eens een vriend die genadeloos is bedrogen en ik heb al helemaal geen vrienden die me een glas bier in mijn gezicht zouden gooien.
Maar op papier zit ik binnen twee zinnen in een kroeg, heb ik binnen een paar zinnen ruzie waarvan ik zelf bepaal dat ik hem dit keer niet win.
Op papier kan ik schrijven wat ik wil. De volgende keer smijt ik hem een glas bier in zijn gezicht.
“Zeg Daan, dat boek van jou, hé? Gaat dat nou eigenlijk over jou?”
Ik kijk op van de paprika die ik aan het snijden ben. “Over mij? Hoe bedoel je?”
“Nou, of het autobiografisch is, bedoel ik. Dat het over jouw love’s en leeds gaat…”
“Alsjeblieft, zeg” snuif ik. “Daar zit toch niemand op te wachten, op mijn tragische liefdesgeschiedenis. Dat ik me er al door heen heb geworsteld is al erg genoeg, daar hoef ik anderen niet mee op te zadelen.”
“Wat zijn we weer lekker optimistisch.” zegt vriendin. “Je bent nu toch gelukkig?”
Ja, nu wel ja…
Een regel onder schrijvers luidt dat je moet schrijven over wat je weet. Als dat waar is, dan heb ik jaren onzin over de liefde geschreven. Want eerlijk gezegd ben ik nooit echt goed in de liefde geweest. Ik klooide vaak maar wat aan, deed maar wat. Te vaak heb ik de eeuwige liefde verklaard aan players & patsers, jongens met vriendin (“Echt, Daan. Volgende week maak ik het uit” ) en jongens die mijn zelfvertrouwen aan gort schopte (“Kijk, dat meisje daar, die is pas écht mooi”). Nog vaker heb ik de jongens die míj de eeuwige liefde verklaarden aan me voorbij laten lopen. Wat zeg ik, ik gaf ze nog een rotschop na ook. Daa-haag puppy met je sugar-sweet-with-cream-on-top sms’jes. Natuurlijk vind je me lief.
Natuurlijk houd je van me.
Natuurlijk kun je niet zonder mij.
Trek je straks wel even de deur achter je in het slot als je weggaat? Thanks!
“Nee” zeg ik, terwijl ik de paprika’s door de bolognese-saus roer. “Dat boek gaat niet over hoe mijn liefdesgeschiedenis is gewéést, maar hoe het gemoeten had. Ik bedoel: ik heb dan wel een chronisch gekneusde kaak overgehouden van alle keren dat ik op mijn bek ben gegaan, dat betekent niet dat andere meiden dat hoeven.”
Ik zwijg even voor het theatrale effect: “Als het waar is dat je van elke fout iets leert, ben ik op het gebied van de liefde een heel wijs mens.”
“Those who can’t, teach.” knikt mijn vriendin.
Ik tik met de pollepel op de rand van de pan, frons mijn wenkbrauwen. “Zei je nou dat ik een doos ben?”
Er zijn duizenden dingen die ik niet begreep aan jongens. Dat ze de ene dag superverliefd kunnen zijn, en de volgende dag kunnen doen alsof je niet bestaat, bijvoorbeeld. Of dat hun ‘ik heb het erg druk’ eigenlijk ‘ik ben bijna bij de volgende level op mijn Playstation’ betekent.
Dat ze denken dat een pizza afhalen hetzelfde is romantisch koken.
En dat een cadeaubon een prima verjaardagscadeau is.
Dat ze kunnen janken zijn als hun ‘cluppie’ heeft verloren, maar niet snappen wanneer wij huilen bij een chickfilm (“Da’s toch niet echt, die film?”).
Ik heb jaren moeten daten voordat ik begreep dat jongens heel anders in elkaar steken. Het zou nog eens jaren duren voordat ik doorhad hóe ze in elkaar staken. Ik ben nu eenmaal een trage leerling, so be it. En eigenlijk geeft dat ook niets: beter je tien keer aan dezelfde steen stoten en er uiteindelijk van leren, dan een hart van steen krijgen omdat je de hoop opgeeft.
Dus, lieve ex-vriendjes, voor wat het waard is: sorry. Zonder jullie had ik allang de hoop opgegeven. En aan mijn niet zo lieve ex-vriendjes: bedankt. Zonder jullie had ik nu een kookboek geschreven.
Het is zomer en ik heb net mijn achttiende verjaardag gevierd. Maar belangrijker dan dat, is dat ik drie weken en vier dagen verkering heb. Nog geen record, maar als het aan mij ligt gaan we makkelijk over mijn oude record van zes weken en twee dagen heen. Ik ben zo verliefd dat vandaag grijzend een preek van mijn docent Engels onderging. Mijn superdure topje heb ik zonder na te denken uitgeleend aan een vriendin. Wat maakt het nu uit of er een brandgat in komt? Materiële dingen zijn sóóóó last month. Wat ik heb met Roy; dát is pas echt belangrijk.
Vindt Roy ook. Dat vindt Roy zo erg dat hij het hoog tijd vindt dat ik zijn vrienden ga ontmoeten.
Ik kijk op.
“Hoezo je vrienden ontmoeten? Ik ken Peter toch al? En Tijn. En Geert en Patrick en Arthur. Wie moet ik nog meer ontmoeten dan?”
“De jongens, natuurlijk! Van de voetbal. Ik zweer je, je lacht je dood met die lui. Weet je wat Tobias laatst deed? Hij had een tampon van zijn zusje meegenomen en die in een glas bier gegooid. Dat ding werd groot, joh! Echt, vet lachen.”
Ik negeer de tamponopmerking en vraag: “Maar heb ik die jongens nog nooit gezien dan?”
En dan doet Roy iets wat hij nog nooit eerder heeft gedaan. Hij wordt verlegen. “Sinds ik met jou heb, heb ik de jongens niet meer zo vaak gezien. Ik was gewoon liever bij jou, snap je?” En ik, begripvolle vriendin als ik ben, snap het helemaal.
Zijn ene arm leunt zwaar op mijn schouder en met de andere maakt hij een wijds gebaar. Hij kijkt naar zijn maten alsof hij ze ooit eens eigenhandig ter wereld heeft gebracht. “Nou, Daan. Dit zijn ze dan. De jongens.”
Ik zie een stuk of twintig gezichten mijn kant op kijken. Van de ene jongen blijven zijn ogen op mijn decolleté hangen. Hij stoot de jongen die naast hem zit – en druk bezig is met zijn keu krijten – aan. Een ander zegt: “Daan? Heet je Daan?”
Ik knik en net wanneer ik wil gaan uitleggen dat het een afkorting voor Danielle is, begint de jongen te lachen.
“Zal later leuk op jullie naambordje staan: Daan en Roy. Iedereen zal denken dat er homo’s wonen!” Ik lach wat mee met de jongens. Homo’s. Lekker dan. De toon is gezet.
Volgende stap. Handjes schudden.
Johan of Joran, dat versta ik niet helemaal. Michel. Rick-met-ck. Martijn. Tobias. Nico-maar-zeg-maar-gewoon-Niek. Joost. Jasper.
“He!” zegt er dan één die ik vijf handjes schudden geleden al had gehad. Johan? Joran? “Jij schrijft toch voor de Fancy?”
“Ja,” knik ik. “Volgende week staat mijn eerste stukje er in.”
“Wat schrijf je dan?” hoor ik iemand anders vragen. “Dat ‘Oh jee! Wat nou?’ of zoiets? Over ‘hoe breng ik een tampon in’?”
Alsof ik net heb aangekondigd dat ik vanavond alle rondjes betaal, kijken er twintig paar ogen mijn kant op. Wat is dat toch met jongens en tampons?
“Neu, eh, ik…” stotter ik. “’Oh jee wat nou’ staat in Tina. Ik schrijf voor Fancy.”
“Maar je schrijft wel over tampons?”
Nee, natuurlijk niet, kiddo, hoewel ik met alle liefde inspiratie op wil doen door jou een tampon in je oogkas te douwen en met een andere tampon het bloed op te vangen dat uit je oog spuit. Maar dat zeg ik niet. Ik zeg: “Wat zou ik over tampons moeten schrijven?”
“Nou, die dingen die worden megagroot als je ze in een glas bier gooit. Da’s echt vet lachen.” Voor de tweede keer binnen vijf minuten fake ik een glimlach. Dit gaat een hele lange avond worden…
In de acht jaar dat ik schrijf, heb ik nog nooit over tampons geschreven. Ik zou ook niet weten wat ik er over moet schrijven. Over het algemeen schrijf ik voor meiden en ik hoef jullie niet te vertellen dat een tampon opzwelt in een glas bier (boeiend!) of dat je die dingen nooit vindt, behalve als je in je tas op zoek bent naar je lipgloss. Dan vind je ze opeens wel (en heel jammer is, dat het altijd een seconde duurt voordat je door hebt dat je je lippen probeert te stiften met een tampon). Toch is het niet eens zo’n gek idee om ooit een boekje over tampons te schrijven. Een speciaal boekje. De titel?
‘O.B.! Wat nou?’. Of zoiets.
Het is één uur en de discotheek waar ik als zestienjarige altijd naar toe ga, is net dicht. Sven, de jongen met wie ik sinds een paar weken ‘wat’ heb, is er ook. Hij loopt de hele avond al achter me aan en eerlijk gezegd begin ik het een beetje zat te worden. Toen ik zojuist even met een klasgenoot van me stond te praten, kwam hij al gelijk naar me toe en sloeg zijn arm zo claimerig om mijn hals, dat mijn klasgenoot van schrik even niet meer wist hoe hij zich moest gedragen. “Ik, euh… zie je op school wel weer” zei hij en weg was ‘ie.
“Weet je dat ik er zat van word, dat je de hele avond al met die andere jongen praat?”
Sven en ik staan buiten op het plein voor de discotheek en het is druk. Ik kijk verbaasd op. Wat? Is hij nou boos op mij?
“Alsjeblieft Sven” zeg ik, terwijl ik hem probeer duidelijk te maken dat er mensen naar ons kijken. “Hier heb ik helemaal geen zin in, hoor.”
“Dan maak je maar zin. Van mij mag iedereen het weten, hoor, dat je me de hele avond al geen aandacht geeft.”
“Wat? Waar heb je het over?”
“Dat je de hele avond al met die andere jongen staat te praten.”
Ik voel dat ik boos word. “De hele avond? De hele avond? Man, ik heb de hele avond moeten aanhoren dat ik je schatje ben, dus kom mij niet aanzetten dat ik de ‘hele’ avond met die andere jongen heb staan te praten. En trouwens, die andere jongen is mijn klasgenootje.”
“Ja, dus?”
“Ja, dus. Jij moet gewoon niet zo jaloers doen, jij.”
“Wat wil je nou? Dat ik telkens achter je aan loop?”
“Alsjeblieft niet, zeg.”
Sven maakt een wegwuifgebaar. “Weet je wat, dan ga ik wel weg.”
“Doe dat” snuif ik. Terwijl hij wegloopt, draait hij zich om: “Ik hou van je, snap je dat dan niet! Snap je dat dan echt niet?”
Ik, inmiddels omringd door drie vriendinnen en twee van zijn vrienden, schreeuw hem na: “Wat moet ik daar nou mee? Wat wil je nou in vredesnaam van me?”
Aangespoord door mijn gevoel voor drama (Lauren Conrad zou er jaloers op worden) ren ik Sven achterna, terwijl ik een vriendin die me wil tegen houden (a la Audrina, voor de Lo-Lauren-Audrina-driehoeksverhouding) van me afschud. In tranen vlieg ik Sven om zijn nek. Ik geef een zoen, die half in zijn nek beland omdat hij zijn hoofd wegdraait.
“Ik hou ook van jou” fluister ik in zijn oor. “Ik wil helemaal geen ruzie.”
Ik geef toe: vroegâh was ik de ultieme Drama Queen. Tien jaar later vind ik overigens dat een goede ruzie helemaal niet erg is. Liefde is een werkwoord en er moet geploeterd, gezweet en geruzied moet worden om de relatie tot een succes te maken. Een goede ruzie is helemaal niet erg. Sterker nog: echt goed ruzie maken is intiem (en daar laat je niet vijftig andere mensen van meegenieten, shame on me) en doe je niet zomaar met iedereen. Nu ik ondertussen al zes jaar aan de verkeerde kant van de twintig zit, ben ik wat minder dramatisch geworden. Gelijk daaraan duren mijn ruzies ook veel langer. Veel langer. Verzucht ik soms: “Zeg schat, ik vind het prima dat we ruzie hebben, maar het is al bijna negen uur. Koffie?”
Het is gek dat in bijna elke sport een scheidsrechter bepaalt wie er gelijk heeft en dat je het in een relatie maar met zijn tweeën moet zien uit te vechten. Geen onpartijdig persoon die je zegt dat jij gelijk hebt wat dit betreft (goal!) en je vriendje buitenspel zet omdat hij er dingen bijhaalt die er even niet toe doen. Niet iemand die jullie beide even een time-out geeft omdat het er even te heftig aan toe gaat. Niet iemand die je tegenhoudt als je iemand met woorden knock-out slaat.
Tussen Sven en mij heeft het niet lang geduurd. Die week daarop hadden we weer een ruzie. Hij begon zich weer ontzettend jaloers te gedragen, waarop ik hem toebeet: 'Er bestaat een verschil tussen een stommiteit met voorbedachte rade en een ongelukje. Welke van de twee zei je moeder dat jij was?'
Toen ik die avond naar huis fietste raakten mijn vriendinnen er niet over uitgepraat over hoe geweldig ik de ruzie had gewonnen. Ik vroeg me alleen maar af hoe leuk het was om te winnen, als je daardoor je vriendje verloor…
Het is zaterdagavond, half twee. Ik sta tegen de bar geleund, in de plaatselijke discotheek. Ik drink wodka/colalight on the rocks. Kauw op een ijsblokje. Kijk verveeld.
De dj schreeuwt dat we onze ‘haaandjuuuuuuhs de luuuucht iiinnn’ moeten doen. Een jongen aan een tafeltje steekt zijn middelvinger naar hem op. Kinderachtig, denk ik, maar eigenlijk zou ik precies hetzelfde willen doen.
Opeens kijkt hij mijn kant op. De jongen van de middelvinger. En even lijkt het net of hij kan zien wat ik denk. Alsof een spiegelbol me in röntgenlicht zet, en hij mijn houding aan mijn botten kan aflezen. Dat hij van mijn middelvingerkootjes de eigenlijke stand kan zien: rechtop en richting de dj.
De jongen met de middelvinger lacht naar mij, haast verlegen.
Mijn zielsmaatje, denk ik.
Het duurt niet lang voordat hij – mijn zielsmaatje - naar de bar komt. Zodra hij zijn biertje heeft, draait hij zich om en doet net of hij me voor het eerst ziet.
“Weet jij misschien hoe laat het is?”
“Ik heb geen horloge om” zeg ik.
“Oh.”
Heb ik weer. Vind ik mijn zielsmaatje, blijkt ‘ie niet te kunnen versieren.
Vanuit mijn ooghoek bekijk ik zijn profiel. Goeie kop. Rechte neus. Een mooie mond met rechte, witte tanden.
Tweede poging dan maar.
“Kom je hier vaker?” vraag ik.
De jongen met de middelvinger kijkt op. “Gelukkig”, zegt hij. “Ik dacht al dat ik de enige was die aan foute versiertrucs deed.”
Hij blijkt genoeg te vertellen hebben, nu het is vastgesteld dat we beide slechte versierders zijn. We hebben het over zijn studie (Nederlands), zijn zus (waarbij hij, tot hij zelf een kamer in Utrecht heeft gevonden, woont) en mijn eerste week op de sportschool (en hoe ik vredesnaam nog onder mijn lidmaatschap van een jaar kan uitkomen).
Onbewust kruipen we steeds dichter naar elkaar toe.
Hij zit iets voorovergebogen. Mijn benen heb ik over elkaar geslagen en de punt van mijn voet wijst in zijn richting. Volgens de lichaamstaalles uit Viva voorspelt dit alles ware liefde.
Zo voelt het ook.
Het voelt goed.
Zelfs de stiltes zijn niet onprettig.
En dan – uit het niets - zoent hij me. Zoent hij me zoals Grote Liefdes behoren te zoenen.
Hij kan niet van mijn handen afblijven, van mijn gezicht. Hij zegt dat ik mooi ben. Dat ‘ie mijn haren zo mooi vindt. En mijn huid, mijn huid is zo zacht.
“Ik moet je wat vertellen” zeg hij dan.
‘Nu komt het’, denk ik.
‘Is het nog niet te vroeg daarvoor?’, denk ik.
‘Nee’, denk ik. ‘Dit is wat Grote Liefdes horen te zeggen, ook al kennen we elkaar zo kort.’ Een weeë verliefde vlaag schrijnt door mijn maagsteek.
En dan zegt -ie ze. De vier woorden.
Ietwat aarzelend, schuw haast, begint hij.
Hij kucht, slaat zijn ogen neer.
Kucht nog eens. En dat zegt -ie het:
“Ik. Heb. Een. Vriendin.”
Ik bedenk me niet. Voordat ik me omdraai en wegloop steek ik mijn middelvinger op.
“Lul.”





Je eigen website maken!